Dit raam laat in drie scenes, van boven naar beneden, de parabel van De Verloren Zoon zien.

Boven

 24 raam boven drinkgelag 5407 620pix
Boven: Parabel van de Verloren Zoon losbandig leven (1952),  Louis Emile (Lou) Manche (1908-1982) glazenier – glas-in-lood-raam.

 

Zes mannen vieren feest aan tafel, er wordt geproost en gedronken. De tafel is gedeeltelijk bedekt met een kleed en daarop staat een kruik. Links aan de tafel een gebogen man met het hoofd op zijn arm die op de knie ligt. Misschien heeft hij teveel gedronken. Links een vrouw met een dienblad en een kruik op haar hoofd. Vóór de tafel eet een hond van de etensresten.

De afbeelding is geïnspireerd op de tekst uit de Bijbel: Lucas 15, 11-13.

11 Vervolgens zei hij (Jezus): ‘Iemand had twee zonen. 12 De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. 13 Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte

Midden

 24 raam midden terugkeer 5389 620pix
Midden: Parabel van de Verloren Zoon- terugkeer van de verloren zoon (1952),  Louis Emile (Lou) Manche (1908-1982) glazenier – glas-in-lood-raam.

 

Op de voorgrond de vader en zijn verloren zoon. De zoon valt in de armen van zijn vader en betoont spijt met de woorden: “Vader ik heb gezondigd”. Deze tekst staat onder de afbeelding.

Op de achtergrond links kijkt de andere zoon toe, die de varkens hoedt. Hij zit en heeft in de rechterhand een herdersstaf en met de linkerhand ondersteunt hij zijn hoofd.


De afbeelding is geïnspireerd op de tekst uit de Bijbel: Lucas 15, 14-21.

14 Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. 15 Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. 16 Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. 17 Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. 18 Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, 19 ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” 20 Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. 21 “Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.”

Onder

 24 raam beneden feestmaal 5389 620pix
Onder: Parabel van de Verloren Zoon- feestmaal (1952),  Louis Emile (Lou) Manche (1908-1982) glazenier – glas-in-lood-raam.

 

Op de voorgrond de vader met de andere zoon, die van zijn vader wegloopt met een afwerende houding. Op de achtergrond een tafel met feestgangers, mannen en vrouwen. Links speelt een muzikant op de fluit. Rechts komt een vrouw aanlopen met een mand vol brood.

 
De afbeelding is geïnspireerd op de tekst uit de Bijbel: Lucas 15, 22-32.

22 Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. 23 Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, 24 want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren. 25 De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. 26 Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. 27 De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” 28 Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. 29 Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30 Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” 31 Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. 32 Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’

 

Restauratie (1998) mogelijk gemaakt door een bijdrage met het verzoek om geen naam te vermelden.

vorigeHB volgende HB Naar-indexHB